050 - 302 35 66  |  E-MAIL  :  info@owl-advies.nl

Loon, vakantie en arbeidsongeschiktheid

Deze pagina printvriendelijk afdrukken

In de art. 7:706 tot en met 7:716 BW zijn bepalingen opgenomen omtrent het loon van de zeevarende. Zo maakt art. 7:706 BW het mogelijk dat de werkgever het loon middels een girale betaling kan uitbetalen aan de zeevarende.

Een in het oog springende wijziging is voorts de bepaling van art. 7:716 BW. Daar waar het WvK bepaalde dat art. 7:627 BW (geen arbeid, geen loon) niet van toepassing is op de schepeling en de kapitein, ten gevolge waarvan aan de schepeling en de kapitein aan boord van een schip ook loon moet worden uitbetaald indien zij geen werk verrichten, bepaalt art. 7:716 BW dat de werkgever geen loon behoeft te betalen aan de zeevarende indien deze de bedongen arbeid zonder deugdelijke grond niet verricht. De wetgever acht het namelijk niet redelijk dat ook loon aan de zeevarende zou moeten worden betaald, indien het niet verrichten van de arbeid aan hemzelf te wijten is. De zeevarende zal dus een deugdelijke grond moeten hebben om de bedongen arbeid niet te verrichten.

In art. 7:717 lid 1 BW wordt een aanspraak op vakantie van ten minste dertig kalenderdagen vastgelegd. Deze vakantiedagen dienen volgens lid 4 van art. 7:717 BW aaneengesloten te worden verleend. De wetgever heeft voor wat betreft het vervallen van vakantiedagen geen aansluiting gezocht bij de vakantiedagenregeling - meer in het bijzonder art. 7:640a BW - die met ingang van 1 januari 2012 in werking trad en waarin wordt bepaald dat de werknemer zijn wettelijke vakantiedagen binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar moet opnemen, waarin de minimumaanspraak is verworven, zal moeten opnemen.

In artikel 734 e.v. wordt onderscheid gemaakt tussen de (ingevolge de Ziektewet of een daarmee overeenstemmende regeling van een EU-lidstaat) verzekerde zeevarende en de ‘andere zeevarende' (de niet op grond van de Ziektewet of een daarmee overeenstemmende regeling van een EU-lidstaat verzekerde zeevarende).

Beide categorieën zeevarenden hebben recht op doorbetaling van het volle loon indien zij ziek zijn aan boord van het schip, of worden achtergelaten in een ander land dan waar zij hun woonplaats of gewone verblijfplaats hebben. Het recht op 100% loondoorbetaling geldt gedurende twaalf weken, maar eindigt als de zeevarende passende arbeid verkrijgt, dan wel terugkeert naar zijn woonplaats of gewone verblijfplaats. Vanaf dat moment gelden de bepalingen van art. 7:629 BW en heeft de zeevarende wettelijk gezien nog slechts recht op 70% van het laatstverdiende loon. De niet-verzekerde zeevarende heeft in dat geval, ingevolge art. 7:734d BW, echter voor ten hoogste 52 weken recht op 80% van het laatstverdiende loon.
De termijn van 52 weken gaat lopen vanaf het moment dat de zeevarende niet langer aan boord van het schip is en nog steeds ziek is.

Het onderscheid tussen de krachtens de Ziektewet verzekerde en niet-verzekerde arbeidson-geschikte zeevarende, wordt in het BW gehandhaafd. Voor de verzekerde arbeidsongeschikte zeevarende geldt voorts dat de dagen waarop de zeevarende zich ziek aan boord bevond of in een vreemd land waarin hij was achtergelaten wel bij de berekening van de periode van 104 weken als bedoeld in art. 7:629 lid 1 BW mogen worden meegeteld (art. 7:734c BW). De regeling met betrekking tot de samentelling van ziekteperioden in art. 7:629 lid 10 BW wordt voorts niet langer uitgesloten.