050 - 302 35 66  |  E-MAIL  :  info@owl-advies.nl

Bijzondere bedingen

Deze pagina printvriendelijk afdrukken

Ingevolge art. 7:652 BW kan door partijen bij de zee-arbeidsovereenkomst een proeftijd worden overeengekomen. Er kan geen proeftijd worden overeengekomen indien de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor hen hoogste zes maanden. Op grond van art. 7:676 BW kan ieder der partijen tijdens de proeftijd de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen.

Voornoemde artikelen worden in art. 7:696 lid 1 BW niet uitgezonderd en zijn dus op de zee-arbeidsovereenkomst van toepassing, met dien verstande dat art. 7:721 BW in afwijking hiervan bepaalt, dat tijdens de dienst aan boord geen beroep kan worden gedaan op het proeftijdbeding.

De reden waarom de wetgever op dit punt niet tot uniformering met het reguliere arbeidsrecht is overgegaan, is dat het onpraktisch zou zijn de zee-arbeidsovereenkomst gedurende de dienst aan boord van een schip te beëindigen.
Om te voorkomen dat de ingangsdatum van het ontslag net buiten de proeftijd zou vallen, zou de proeftijd wel tot aan het bereiken van de eerstvolgende haven dienen te worden verlengd.

Ten aanzien van het concurrentiebeding verklaart art. 403 WvK, dat een beding waarbij de schepeling wordt beperkt in zijn vrijheid om na het einde van de arbeidsovereenkomst arbeid te verrichten, nietig is. Deze bepaling is in het BW niet gemoderniseerd. Het is op grond van art. 7:700 BW namelijk nog steeds niet toegestaan een concurrentiebeding overeen te komen en blijkens art. 7:696 lid 2 BW mag van die bepaling niet worden afgeweken.

De aansprakelijkheid van de werkgever voor de schade die de zeevarende lijdt als gevolg van een schipbreuk of andere ramp aan het schip is een typische bepaling voor het maritieme arbeidsrecht. Deze bepaling is overgenomen uit voorschrift 2.6 van het MAV en komt tot uitdrukking in art. 7:719 BW. Het voorschrift houdt in dat in alle gevallen waarin het schip verloren gaat of schipbreuk lijdt, de reder van het schip aan alle zeevarenden aan boord een schadeloosstelling moet betalen wegens letsel, geheel of gedeeltelijk verlies van de uitrusting en eventuele werkloosheid van de zeevarenden.

Als de zeevarende door de schipbreuk of een andere ramp aan het schip komt te overlijden, komt de uitkering voor verlies van de uitrusting en de werkloosheidsuitkering toe aan zijn nagelaten betrekkingen (ex art.7:674 lid 3 BW).