050 - 302 35 66  |  E-MAIL  :  info@owl-advies.nl

Arbeidsrecht voor de zeevarende

Deze pagina printvriendelijk afdrukken

De werkingssfeer van de regeling in boek 7, titel 10, afdeling 12 BW is ten opzichte van de regeling in het Wetboek van Koophandel (WvK) op een aantal vlakken een stuk ruimer.
Het in het Wetboek van Koophandel gemaakte onderscheid tussen ‘schepeling' en ‘kapitein' wordt in afdeling 12 opgeheven. Zo vallen ook uitzendkrachten onder het begrip zeevarende, dit in tegenstelling tot het begrip ‘schepeling' waartoe de uitzendkracht niet behoorde.

De zee-arbeidsovereenkomst is de arbeidsovereenkomst, waaronder begrepen de uitzendovereenkomst, waarbij de zeevarende zich verbindt arbeid aan boord van een zeeschip te verrichten. Ook de kapitein wordt onder het ruime begrip zeevarende geschaard.

Dit betekent dat van belang is dat een zeevarende een zee-arbeidsovereenkomst aangaat om werkzaamheden uit te voeren aan boord van een zeeschip. Bij overige zeevarenden (in de zin van het MAV die werkzaamheden aan boord van een zeeschip verrichten), derhalve zeevarenden die geen zee-arbeidsovereenkomst hebben gesloten, kan worden gedacht aan zelfstandigen en werknemers die tijdelijk aan boord arbeid verrichten op basis van een reeds bestaande arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:610 BW.

Op grond van het verdrag kan dus niet alleen de scheepseigenaar als werkgever optreden, maar ook een andere organisatie of persoon die de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het schip van de eigenaar heeft overgenomen én die er bij het aangaan van die verantwoordelijkheid mee heeft ingestemd de taken en verantwoordelijkheden die door het MAV aan reders worden opgelegd, te aanvaarden.

Afhankelijk van de registratie van het schip zal één van de volgende drie entiteiten - in de nieuwe wettelijke regeling aangeduid als de ‘scheepsbeheerder' - verantwoordelijk zijn voor de naleving van het MAV en daarop voor de zeevarenden aan boord van het schip aanspreekbaar zijn:

1. de eigenaar van het schip (art. 311 lid 1 en 2 WvK);

2. de rompbevrachter (art. 3 Wet nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting);

3. de scheepsmanager (art. 311 lid 3 WvK).

De werkgever van een zeevarende kan de scheepsbeheerder zijn, maar dit hoeft niet steeds het geval te zijn. In aansluiting bij het verdrag kan de ‘zeewerkgever' namelijk ook de ‘uitzendwerkgever' zijn (art. 7:694 lid 1 BW). De bepalingen uit afdeling 11 van titel 10 Boek 7 BW inzake de uitzendovereenkomst worden, met uitzondering van art. 7:692 BW, in art. 7:696 lid 1 BW van toepassing verklaard op de zee-arbeidsovereenkomst met een uitzendwerkgever.

Ten aanzien van uitzendsituaties is art. 7:693 BW in het bijzonder van belang. Op grond van dat artikel kan de inlener namelijk aansprakelijk worden gesteld voor de nakoming van bepaalde in het verdrag opgenomen (vlaggenstaat)verplichtingen, indien de werkgever (het uitzendbureau) met de nakoming hiervan in gebreke is. Uitdrukkelijk is niet beoogd hier een hoofdelijke aansprakelijkheid in het leven te roepen. De zeevarende dient eerst het uitzendbureau als werkgever aan te spreken. Pas indien het uitzendbureau met de nakoming in gebreke blijft, kan de inlener aansprakelijk worden gesteld.