050 - 302 35 66  |  E-MAIL  :  info@owl-advies.nl

B-3 instelling: nog 13 maanden te gaan voordat de WNRA in werking treedt

Deze pagina printvriendelijk afdrukken

Overheidsstichting’

De B-3 instelling kan worden vergeleken met de ‘overheidsstichting’. De B-3 instelling had van oudsher een publieke taak of stond voor een publiek belang dat volgens bestuurders beter gediend kon worden vanuit het privaatrecht. Aangezien de stichting aanvankelijk was gericht op het verwezenlijken van een  doel(stelling) zonder winst te maken, was de stichting als rechtspersoon uitermate geschikt voor het verzelfstandigen of privatiseren van overheidstaken in het gesubsidieerde werkveld. De vraag, die bij overheden niet kwam bovendrijven, was: “Wordt er door het toekennen van de B-status aan een privaatrechtelijke instelling wel geprivatiseerd?” De ervaring heeft ons geleerd dat daarop ontkennend moet worden geantwoord. Bestuurders en/of overheden hebben de gevolgen van het uitvoeren van een publieke taak via een B-3 instelling niet voldoende onderzocht of niet overzien. Zij hadden kennelijk geen oog voor het feit  dat de overheid uitvoering van publieke taken niet goedkoper maakt als de uitvoering daarvan terechtkomt bij gewone werknemers, waarvoor de loonkosten van een ambtenaar moeten worden opgebracht!. Kort en goed kwam het paard dus achter de wagen te staan, als de overheid niet meer bereid was de B3-instelling in zodanige mate te subsidiëren dat deze loonkosten van haar werknemers volledig kon afdekken.

Artikel B3 uit de wet ABP
B3 is een bepaling in de wet Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, waarin drie soorten overheidswerknemers[1] worden genoemd. Indien na privatisering of verzelfstandiging op grond van doelstelling en/of financiële verhouding, een band bleef bestaan met de overheid, stond aansluiting bij het ABP ook open voor de werknemers van de ‘geprivatiseerde’ instelling. Een aanvraag voor de B-3 status kon door het bestuur van de instelling worden ingediend bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze aanvraag diende vergezeld te gaan van instemming van sociale partners. Vakbonden waren dus ook van de partij. Na toetsing en goedkeuring van de aanvraag door ABP kreeg de instelling de zogenaamde 'B3-status' door de minister toegekend.

De aanwij­zing als B-3 instelling geschiedde op grond van de Wet privatisering ABP (hierna: WPA) en leidde tot een verplichte deel­neming in het ABP.

Wijziging WPA
Ten gevolge van het kabinetsbeleid inzake taakaf­bakening tussen pensioenfondsen en verzekeraars, moest rond 2000 de WPA worden gewijzigd. Omdat het ABP tevens een bedrijfstakpensioenfonds was, moest de verplichtstellingsregeling van het ABP ook aan deze taakafbakeningsbepalingen voldoen. Eén van de voorwaarden betrof het onderdeel vrijwillige aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds. Volgens het alsdan vigerende taakafbakeningsbeleid was vrijwillige aansluiting slechts mogelijk indien daaraan een verzoek ten grondslag lag van de representatieve organisaties van sociale partners in de bedrijfstak. In de WPA ontbrak deze voorwaarde met betrek­king tot het beleid voor de eerder genoemde 'aan­wijzing' van de Minister, die in feite een vrijwillige aansluiting was.

Omdat de WPA-voorwaarden voor vrijwillige deelneming limitatief waren geformuleerd, kwam de Minister van Binnenlandse Zaken destijds in een conflicte­rende situatie. Enerzijds moest hij de dwin­gende WPA-voorschriften uitvoeren, anderzijds wilde hij zich houden aan het kabinets-standpunt inzake taakafbakening, dat minder ruimte liet voor vrijwillige deelneming.

De per 16 november 2001 gewijzigde aanwijzingsvoorwaarden in de WPA hielden in de eerste plaats in, dat als voorwaarde voor aanwijzing gold dat voor de werknemers in de betreffende pri­vaatrechtelijke instellingen arbeidsvoorwaarden[2] die­nden te gelden die overeenkwamen met die van een van de zogeheten overheidssectoren (rijk, onderwijs, defensie, politie, rechterlijke macht, decentrale over­heden, provincies en gemeenten). De ‘private’ instellingen hadden door de overeen­gekomen arbeidsvoorwaarden een zodanige nauwe band met een van de genoemde sectoren, dat zij gerekend konden worden tot de bedrijfstak overheid. Dat betekende ook dat de private instellingen eigen risicodrager werden voor de WW-uitkeringen oftewel deze uitkering uit de eigen kas moesten gaan betalen. Als gesteld is dat de B-3 instelling tot de bedrijfstak overheid gerekend moest worden, is ook het antwoord op de vraag, die aan het begin van het proces gesteld had moeten worden, bekend: Er is in geval van de inzet van een B-3 instellingen geen sprake van een voltooide privatisering!

Teruglopen subsidies en loonkosten B-3 instellingen
De financiële problemen voor B-3 instellingen dienen zich vanaf 2006 aan als de overheden subsidies moeten beperken of subsidiekranen helemaal dicht moeten draaien. Als de subsidie terugloopt, wordt het vervolgens heel lastig zo niet onmogelijk om een ‘overheidsstichting’ in de markt te houden. De loonkosten van deze organisaties zijn in verhouding met de reguliere markt, waarmee zij wedijveren, te hoog. Dit laatste wordt vooral veroorzaakt door de rechten, die ambtenaren en dus ook de werknemers van deze B-3 stichtingen hebben als ontslag dreigt. De instellingen zijn eigen risicodrager en moeten dus zelf uitkeringskosten betalen. Niet alleen de kosten van de WW-uitkering maar ook de kosten van een nawettelijke uitkering (ook wel wachtgeld genoemd, die soms doorlopen tot pensioengerechtigde leeftijd) zijn voor rekening van de B-3 instelling. Kortom, gaandeweg wordt het onhaalbaar voor deze organisaties om zich staande te houden. Ook een reorganisatie is dikwijls financieel niet haalbaar omdat de overheid de B-3 instelling te weinig geld in kas heeft gegeven.

Einde aanwijzing B3-status

Vanaf maart 2013 vindt er een zodanige wijziging van de Wet privatisering ABP plaats dat het niet meer mogelijk is om een stichting als B-3 instelling aan te wijzen. Daarmee kunnen bestaande B3-instellingen nog wel blijven bestaan, maar er zullen geen nieuwe bijkomen. Intussen besluit de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties op 7 augustus 2013 tot intrekking van 611 ABP-werkgeversnummers, die horen bij inactieve (onderdelen van) van B-3 lichamen. Bij deze eerder aangewezen overheidswerkgevers in de zin van de WPA, waren inmiddels geen deelnemers meer aangesloten die verplicht pensioen opbouwen bij ABP. Na die actie blijven er toch nog wel enkele honderden B3-instellingen in tact. Hun problemen worden niet anders.

Dreigende ontwikkelingen en nadenken over oplossingen 
De loonkostenproblematiek in combinatie met de rechtspositieregeling en rechten bij ontslag lijken de drijfveer te zijn om de organisatie van een B-3 instelling te heroverwegen. Ook de komst van de Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren (WNRA) heeft een grote invloed op of voor de huidige B-3 instelling.

OWL Juridisch Advies adviseert regelmatig instellingen met een B-3 status. Afhankelijk van de situatie ontwikkelen wij samen met werkgevers een nieuw toekomstperspectief. Daartoe zijn inventariserende of verkennende gesprek nodig. De juristen van OWL Juridisch Advies staan open voor een vrijblijvend gesprek en beperken hun dienstverlening niet tot een geografisch gebied.

Activiteiten van OWL Juridisch Advies tot 2014
Mr. Rianne Wubs van OWL Juridisch Advies en Prof. Dr. Heinrich Winter van Pro Facto werken vanaf 2007 samen aan de omzetting, transitie of reorganisatie van aan de overheid verwante organisaties (B3-instellingen). Heinrich houdt zich bezig met de bestuurlijk politieke kant van de zaak en Rianne richt zich op de arbeidsrechtelijke kant van de omzetting.

Het samen optrekken van Heinrich en Rianne heeft in 2007-2009 geleid tot de totstandkoming van de Coöperatie Kunstbedrijven. De docenten van de voormalige Gemeenschappelijke Muziekschool Westerkwartier te Leek, Grootegast, Marum en Zuidhorn zijn van ambtenaar ondernemer geworden. Het eindresultaat was en is dat de docenten kunnen buigen op verbetering van de kwaliteit van muziekonderwijs. Voor de gemeenten is het een stuk aantrekkelijker geworden om een bijdrage te leveren aan de instandhouding van het muziekonderwijs. De kosten van kunst en cultuur zijn voor de gemeenten sterk beperkt en  het onderwijs is er gebleven en vooral beter geworden! Van 2011-2013 werd met ondersteuning van Winter en Wubs de transitie van Globe Centrum voor Kunst en Cultuur in Hilversum voltooid. Ton Temme publiceerde erover in Kunstconnectie (nieuwsbrief Nr.14, van 2 oktober 2012). In de periode van 2012-2014 gingen de ondernemers van het Cultuurcentrum De Waldsâng in Noord Oost Fryslân van start. Ook dat proces hebben Winter en Wubs voorbereid, begeleid en uitgevoerd.     

Activiteiten van OWL Juridisch Advies vanaf 2015
Door de planvorming rond DBA[4] (Wet Deregulering Arbeidsrelaties) is de focus van OWL Juridisch Advies ook verlegd naar omzetting van de organisatie waarbij het dienstverband in de relatie van werknemer met werkgever ook kan blijven voortbestaan. Het is daarbij zaak om goed te kijken naar het verleden van de organisatie als ook om af te wegen welke oplossingen haalbaar zijn en in hoeverre het noodzakelijk is om de ABP aansluiting los te weken of zelfs los te laten. Alhoewel onze ervaring is dat ABP in dat kader op het vinkentouw zit, staat niet bij voorbaat vast dat een exit boete moet worden betaald. Daarvoor is onderzoek onontbeerlijk. De ervaring heeft ook geleerd dat goed gecheckt moet worden hoe de verplichtingen over en weer tussen instelling en overheid zich hebben ontwikkeld. Met een zekere regelmaat komen daaruit nog verrassende ontwikkelingen naar voren.  

Bel ons en overweeg een  Quickscan van uw organisatie!
Om een eerste stap in de richting van een transitie of reorganisatie te kunnen zetten, heeft u kaders nodig. Wij maken tegen een aantrekkelijk tarief een Quick Scan van uw organisatie. Daarmee heeft u een instrument in handen waarmee u zowel in politiek bestuurlijk opzicht als in personeel technische zin met voldoende overtuigingskracht uw organisatie in beweging zou moeten kunnen krijgen.

 

 


[1] Het derde lid (B3) strekt zich uit tot: zij die werkzaam bij een door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangewezen privaatrechtelijk lichaam (BV, NV, stichting, vereniging enz.). We noemen deze door de minister aangewezen privaatrechtelijke lichamen kortweg «B3-lichamen. 

[2] Voor 2000 was er door partijen altijd vrijwillig gekozen voor het volgen van de arbeidsvoorwaarden van het Rijk, de Provincie en de Gemeente. Vanaf 2001 was het volgen van de arbeidsvoorwaarden een absolute must geworden voor de aanwijzing of instandhouding van een B3-instelling. 

[3]Werkgeversverenging voor Energie, Kabel & Telecom en Afval & Milieu

[4] De Wet DBA is in beginsel nooit gehandhaafd en zal naar verwachting van de plannen voor 2020 van het kabinet (anno oktober 2017) ook verhuizen naar het vierkante archief. Uiteraard zal er opnieuw gekeken worden naar de kaders voor zelfstandig ondernemerschap. De oplossing daarvoor zal vermoedelijk gevonden in een materiele uitdieping van het begrip ‘gezagsverhouding’.